Arbeid

ZZP en schijnzelfstandigheid in 2026: wat is de huidige stand van zaken?

By 1 oktober 2026No Comments

De regels rondom zzp’ers en schijnzelfstandigheid zijn de afgelopen jaren voortdurend in beweging geweest. Ook in 2026 blijft de kwalificatie van de arbeidsrelatie een belangrijk aandachtspunt voor zowel zelfstandigen als opdrachtgevers. De Belastingdienst handhaaft weer actief, terwijl de wetgever werkt aan een nieuwe wettelijke regeling voor zelfstandigen.

Maar wanneer is iemand nu daadwerkelijk zzp’er en wanneer is sprake van een arbeidsovereenkomst? En wat betekent de huidige handhaving voor opdrachtgevers en zelfstandigen?

Een man last een stalen werkstuk aan een werkbank in een loods.

Schijnzelfstandigheid: waar gaat het om?

Van schijnzelfstandigheid is sprake wanneer iemand formeel als zelfstandige wordt ingehuurd, maar juridisch gezien feitelijk als werknemer werkzaam is.

Dat onderscheid is belangrijk. Een arbeidsovereenkomst brengt voor de opdrachtgever onder meer verplichtingen mee op het gebied van loonheffingen, werknemersverzekeringen en arbeidsrechtelijke bescherming.

Of sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt niet uitsluitend bepaald door het contract dat partijen hebben gesloten. Doorslaggevend is hoe de arbeidsrelatie feitelijk wordt uitgevoerd.

De beoordeling vindt plaats aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer worden gekeken naar de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop werkzaamheden en werktijden worden bepaald, de mate van organisatorische inbedding, de verplichting om het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de beloning is bepaald, het commerciële risico en de mate waarin de werkende zich als ondernemer gedraagt.

Een overeenkomst met het opschrift ‘overeenkomst van opdracht’ is dus op zichzelf onvoldoende om van zelfstandigheid te kunnen spreken.

De Wet DBA en de handhaving door de Belastingdienst

De discussie over schijnzelfstandigheid wordt vaak aangeduid als de ‘Wet DBA’. De belangrijkste ontwikkeling is echter de hervatting van de reguliere handhaving.

Het handhavingsmoratorium is per 1 januari 2025 beëindigd. De Belastingdienst kan sindsdien bij een controle vaststellen dat feitelijk sprake is van een dienstbetrekking en vervolgens correctieverplichtingen of naheffingsaanslagen loonheffingen opleggen.

Voor 2026 geldt bovendien dat de Belastingdienst vergrijpboetes kan opleggen. Verzuimboetes worden in 2026 nog niet opgelegd. Voor naheffing geldt als uitgangspunt dat niet verder wordt teruggegaan dan 1 januari 2025, met uitzonderingen wanneer bijvoorbeeld sprake is van kwaadwillendheid.

Daarmee is de kwalificatie van de arbeidsrelatie niet langer uitsluitend een theoretisch aandachtspunt. Een verkeerde kwalificatie kan voor opdrachtgevers daadwerkelijk financiële gevolgen hebben.

Niet het contract, maar de praktijk staat centraal

Een veelvoorkomende misvatting is dat partijen zelf kunnen bepalen dat iemand als zzp’er werkt. Dat is niet zo.

Partijen kunnen uiteraard afspraken maken over de vorm van hun samenwerking, maar de civielrechtelijke kwalificatie wordt uiteindelijk bepaald aan de hand van de omstandigheden waaronder daadwerkelijk wordt gewerkt.

De Belastingdienst benadrukt daarom dat een arbeidsrelatie ook gedurende de looptijd opnieuw moet worden beoordeeld. Een samenwerking kan immers in de praktijk veranderen. Een zelfstandige kan bijvoorbeeld aanvankelijk daadwerkelijk zelfstandig werken, terwijl de opdrachtgever de samenwerking later steeds meer gaat organiseren en aansturen.

Ook het oprichten van een BV, maatschap of andere rechtsvorm voorkomt op zichzelf geen schijnzelfstandigheid. Het gaat om de feitelijke arbeidsrelatie.

Het arrest van de Hoge Raad over Uber: ondernemerschap telt mee

Een belangrijke ontwikkeling is de uitspraak van de Hoge Raad van 21 februari 2025 in de Uber-zaak. De Hoge Raad heeft daarin bevestigd dat bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst geen rangorde bestaat tussen de verschillende omstandigheden die bij de beoordeling een rol kunnen spelen.

Dat betekent dat ook het ondernemerschap van de werkende een volwaardig onderdeel van de beoordeling kan zijn. Daarbij kunnen omstandigheden buiten de specifieke relatie met de opdrachtgever relevant zijn. Denk bijvoorbeeld aan de manier waarop iemand zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt.

Dit sluit aan bij het eerdere Deliveroo-arrest van de Hoge Raad, waarin al was benadrukt dat de beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van alle omstandigheden van het geval.

De uitspraak betekent dus niet dat iemand automatisch zzp’er is wanneer hij meerdere opdrachtgevers heeft of een onderneming heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Evenmin betekent zij dat structureel of ingebed werk per definitie in loondienst moet worden verricht.

De concrete omstandigheden blijven bepalend.

Wat betekent dit voor opdrachtgevers?

Voor opdrachtgevers is het belangrijk om niet alleen naar het modelcontract of de factuur te kijken, maar naar de feitelijke inrichting van de samenwerking.

Relevant kunnen bijvoorbeeld de volgende vragen zijn:

  • Wie bepaalt hoe het werk wordt uitgevoerd?
  • Kan de opdrachtgever inhoudelijke aanwijzingen geven?
  • Kan de opdrachtgever de werkzaamheden controleren en bijsturen?
  • Bepaalt de opdrachtgever wanneer en waar wordt gewerkt?
  • Is de werkende onderdeel van de reguliere organisatie?
  • Gaat het om structureel werk dat ook door werknemers wordt gedaan?
  • Moet de werkende het werk persoonlijk uitvoeren?
  • Kan de werkende zich vrijelijk laten vervangen?
  • Loopt de zelfstandige daadwerkelijk ondernemersrisico?
  • Heeft de zelfstandige meerdere opdrachtgevers?
  • Werft de zelfstandige zelf opdrachten?
  • Presenteert de zelfstandige zich daadwerkelijk als ondernemer?
  • Is de beloning gekoppeld aan het resultaat of feitelijk aan gewerkte uren?
  • Wie draagt het risico voor fouten, herstelwerk en niet-productieve uren?

Geen van deze omstandigheden is op zichzelf noodzakelijkerwijs beslissend. Het gaat om het totaalbeeld.

Wat betekent dit voor zzp’ers?

Ook voor zelfstandigen is het verstandig om kritisch naar de eigen praktijk te kijken.

Een hoge vergoeding, een inschrijving bij de KvK of het hebben van meerdere opdrachtgevers is niet automatisch voldoende om als zelfstandige te worden aangemerkt. De overheid benadrukt bijvoorbeeld expliciet dat ook bij een hoog uurtarief sprake kan zijn van een arbeidsovereenkomst.

Daar staat tegenover dat ook het feit dat werkzaamheden structureel of binnen de organisatie van een opdrachtgever worden verricht niet zonder meer betekent dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad heeft in 2025 opnieuw benadrukt dat alle omstandigheden moeten worden meegewogen en dat ondernemerschap daarbij een volwaardig gezichtspunt is.

Voor zelfstandigen is het daarom van belang dat de ondernemingspositie niet alleen op papier bestaat, maar ook daadwerkelijk in de praktijk zichtbaar is.

Wat gebeurt er met de VBAR?

De afgelopen jaren werd veel gesproken over de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR). De oorspronkelijke bedoeling van de VBAR was onder meer om wettelijk duidelijker vast te leggen wanneer sprake is van werken in dienst van een ander.

In maart 2026 heeft het kabinet echter besloten het onderdeel van het wetsvoorstel dat de beoordeling van de arbeidsrelatie inhoudelijk moest verduidelijken, te laten vervallen. De Tweede Kamerstukken bevestigen dat het wetsvoorstel daardoor is gewijzigd en alleen het onderdeel over het rechtsvermoeden op basis van een uurtarief is overgebleven.

Het kabinet wil daarnaast werken aan een Zelfstandigenwet, die op termijn meer duidelijkheid moet geven over de positie van zelfstandigen.

De precieze toekomstige wettelijke regeling is daarmee nog in ontwikkeling. Voor de beoordeling van bestaande arbeidsrelaties blijft het huidige juridische kader echter van belang.

Rechtsvermoeden bij een laag uurtarief

Een ander onderdeel dat het kabinet versneld wil invoeren, is een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst voor werkenden met een laag uurtarief.

Het kabinet heeft daarbij een grens van € 38 per uur, met als peildatum 1 januari 2026, genoemd. Het doel hiervan is laagbetaalde werkenden een sterkere rechtspositie te geven. Wanneer aan de voorwaarden voor het rechtsvermoeden is voldaan en de werkende zich daarop beroept, komt de bewijslast in belangrijke mate bij de opdrachtgever te liggen.

Belangrijk is dat dit niet betekent dat iedere zzp’er die minder dan € 38 per uur factureert automatisch werknemer is. Het gaat om een rechtsvermoeden: het is een instrument waarmee een werkende gemakkelijker een arbeidsovereenkomst kan claimen, waarna de opdrachtgever het vermoeden kan weerleggen.

De precieze inwerkingtreding en verdere parlementaire behandeling moeten daarom worden gevolgd.

Wat zijn de risico’s van schijnzelfstandigheid?

Wanneer achteraf wordt vastgesteld dat feitelijk sprake was van een arbeidsovereenkomst, kunnen verschillende gevolgen optreden.

Voor de opdrachtgever kunnen onder meer de volgende risico’s spelen:

  • naheffing van loonheffingen;
  • correctieverplichtingen;
  • mogelijke vergrijpboetes;
  • verplichtingen uit het arbeidsrecht;
  • mogelijke gevolgen voor werknemersverzekeringen;
  • mogelijke pensioenrechtelijke gevolgen;
  • discussies over vakantiedagen, vakantiegeld en andere arbeidsvoorwaarden.

Ook voor de zelfstandige kan de kwalificatie gevolgen hebben. Zo kan discussie ontstaan over de fiscale behandeling en over aanspraken die samenhangen met werknemerschap. De precieze gevolgen zijn afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval.

Praktisch: wat kunnen opdrachtgevers nu doen?

Voor opdrachtgevers die met zzp’ers werken, is het verstandig om niet af te wachten totdat de Belastingdienst een controle aankondigt.

Een goede beoordeling begint bij de feitelijke samenwerking.

Een praktische aanpak bestaat bijvoorbeeld uit:

1. Inventariseer de zzp-populatie

Maak inzichtelijk welke zelfstandigen worden ingehuurd, voor welke werkzaamheden en op welke wijze.

2. Beoordeel de arbeidsrelatie per opdracht

Kijk niet alleen naar de functiebenaming of het contract, maar naar de dagelijkse praktijk.

3. Leg de zelfstandige positie concreet vast

Maak afspraken over resultaat, verantwoordelijkheid, vervanging, ondernemersrisico en de wijze van uitvoering, voor zover die afspraken daadwerkelijk aansluiten bij de praktijk.

4. Pas de dagelijkse praktijk aan als dat nodig is

Een goed contract helpt niet wanneer in de praktijk sprake is van een werkgeversrelatie.

5. Herbeoordeel bestaande samenwerkingen

De kwalificatie van een arbeidsrelatie is geen eenmalige exercitie. Wanneer de werkzaamheden, aansturing of organisatorische context veranderen, kan ook de juridische kwalificatie veranderen.

Conclusie: zzp blijft mogelijk, maar de praktijk moet kloppen

De huidige situatie laat zich niet samenvatten als: ‘zzp mag niet meer’.

Zelfstandigen kunnen nog steeds als zzp’er werken. De kern is dat de gekozen contractvorm moet aansluiten bij de manier waarop partijen daadwerkelijk samenwerken.

Voor opdrachtgevers betekent de hervatte handhaving dat de kwalificatie van zzp-relaties een concreet juridisch en financieel risico kan zijn. Voor zelfstandigen betekent het dat ondernemerschap ook daadwerkelijk in de praktijk moet kunnen worden onderbouwd.

Tegelijkertijd is de wetgeving nog volop in beweging. Het verduidelijkingsdeel van de VBAR is geschrapt, het kabinet werkt aan een rechtsvermoeden bij een laag uurtarief en aan een nieuwe Zelfstandigenwet. Voor de dagelijkse praktijk blijven voorlopig vooral het bestaande arbeidsrecht, de rechtspraak van de Hoge Raad en de handhavingspraktijk van de Belastingdienst bepalend.

Heeft u vragen over een bestaande zzp-constructie, een modelovereenkomst of de inrichting van een samenwerking met zelfstandigen? Dan is het verstandig de arbeidsrelatie juridisch te laten beoordelen aan de hand van de feitelijke werkzaamheden en niet uitsluitend op basis van het contract.